De Golden Retriever - Golden Retriever Club Nederland GRCN

De ware oorsprong

Niemand zou ooit te weten zijn gekomen welke visie omtrent de oorsprong van het ras de juiste was, ware het niet dat de 6de graaf van Ilchester, een achterneef van Lord Tweedmouth, in 1952 een artikel zou hebben geplaatst in het blad ‘Country Life’, dat nadere opheldering verschafte over de fokkerij van Lord Tweedmouth. In dat artikel stonden de van 1835 tot 1890 nauwgezet bijgehouden kennelgegevens vermeld, die in de archieven van de familie bewaard waren gebleven. Daarin stond niets vermeld over Russische honden, maar wel dat Lord Tweedmouth in 1865 zijn eerste gele Retriever kocht in Brighton. Het was de in 1864 geboren reu Nous, gefokt door de graaf van Chilester uit ouders van onbekende afstamming.

In 1867 kreeg Lord Tweedmouth de vier jaar oude Tweed Waterspaniël ‘Belle’ van zijn neef David Robertson, die in Ladykirk aan het riviertje de Tweed woonde. De uitgestorven Tweed Waterspaniëls leken op een kleine Retriever, waren leverkleurig en hadden lang krullend haar. De beste beschrijving van deze honden staat in het in 1855 verschenen boek ‘Manuel of British Rural Sports’ van J.H. Walsh, dat hij schreef onder het pseudoniem Stonehenge. Daarin staat:”De Tweedside Spaniël gelijkt in zijn uiterlijk voor een groot deel op de kleine retriever van een leverkleur”.

Op het landgoed Guisachan in Invernessshire kregen Nous, wat wijsheid betekent, en Belle samen vier gele pups: de reu Crocus en de drie teefjes Ada, Primrose en Cowslip. Zij vormden de oorsprong van de Golden Retriever als ras. Met uitzondering van de moeder Belle en haar dochter Primrose bestaan er foto’s van deze eerste honden. Daarop is goed te zien dat de nakomelingen al een opvallende gelijkenis in type vertonen met de huidige Golden Retrievers. Ze waren goudbruin en hadden een overvloedige, golvende beharing. Enkele honden waren behoorlijk aan de grote kant, maar andere waren al van het goede formaat.

Lord Tweedmouth gaf Ada aan de 5de Graaf van Ilchester. Zij was het begin van zijn Melbury-stam, die later bekend zou worden om zijn zwarte retrievers. De teef Cowslip bleef in het bezit van Lord Tweedmouth. Hij gebruikte haar en haar nakomelingen om zijn ideaalbeeld van een gele langharige retriever te verwezenlijken.

Als dochter van Nous, een gele hond van onbekende afstamming, en de Tweed Waterspaniël Belle was Cowslip dus voor de helft een Tweed Waterspaniël. De stamteef Cowslip werd in 1873 gedekt door een Tweed Waterspaniël, die naar de naam Tweed luisterde. Uit deze paring kwam onder meer de teef Topsy voort, die op haar beurt in 1877 werd gedekt door de zwarte, krulharige retrieverreu Sambo. Lord Tweedmouth hield uit dit nest de teef Zoë aan voor de verdere fokkerij.

In 1875 vond er een tweede paring plaats van de stamteef Cowslip met de Ierse Setter-reu Sampson. Deze combinatie resulteerde in een nest, waar onder meer de nakomelingen Jack en Gill deel van uitmaakten.

Lord Tweedmouth liet vervolgens de teef Zoë dekken door Jack. Daaruit kwamen vier gele pups, waarvan de reu Nous II en de teven Tansey en Gill II weer werden aangehouden om er verder mee te fokken

Gill II werd weer gepaard met Tracer, een zwarte, krulharige retrieverreu, die uit een lijn kwam waaruit vaak leverkleurige honden waren voortgekomen. Uit die combinatie werden tien pups geboren, waarvan de zwarte teef Queenie werd gedekt door haar gele oom Nous II. Daaruit werden in 1899 de twee gele teven Prim en Rose geboren. Dat waren tevens de laatste twee registraties die in het kennelregister van Lord Tweedmouth zijn vermeld.

Het is bekend dat Lord Tweedmouth rond 1890 een kruising heeft toegepast met een zandkleurige Bloedhond. Deze is echter niet meer in zijn kennelregistratie opgenomen. Maar de nakomelingen uit deze kruising zouden zeer slecht zijn geweest. Ze waren te groot en voor een deel te agressief. Ze zijn waarschijnlijk nooit verder gebruikt voor het fokken van Golden Retrievers.

Copyright © 2018 Golden Retriever Club Nederland GRCN. Designed by Hofste Consultancy